
Eeuwenlang vormden de zogenaamde blackhouses het thuis van de mensen van de Schotse Hooglanden, de Hebriden, en andere delen van de (Gaelic) wereld. Ze boden onderdak voor zowel mens als beest, allemaal onder hetzelfde dak.
Blackhouses hebben geen schoorsteen, koppel dat met het feit dat er continue een turfvuurtje brandde, en je begrijpt dat de huizen een nogal duidelijke geur hadden. Het brandend houden van het turfvuur was belangrijk omdat dit niet alleen ongedierte bestreed, maar ook het rieten dak in stand hield.
Het blackhouse op nummer 42 Arnol is in dezelfde staat gehouden als toen de laatste bewoners het in 1966(!) verlieten. Het geeft een goede indruk van hoe het geweest moest zijn om in die tijd te leven. De geur van verbrande turf is overweldigend, maar went snel. Na een tijdje ruik je het niet meer, en krijg je de kans om de unieke atmosfeer op te snuiven en je voor te stellen hoe het zou zijn om zo te leven.
Om met de moderne tijd mee te gaan, verruilden mensen op een gegeven moment hun blackhouse voor een “normaal” huis, een zogenaamd whitehouse. Het whitehouse op nummer 39 Arnol werd voor het eerst bewoond in 1930 (door de mensen van het naastgelegen blackhouse). Het is grotendeels in dezelfde staat gelaten als toen de laatste bewoners het in 1976 verlieten.